Terug naar het overzicht

Prestatieafspraken (2012-2017)

30 november 2018 door Stuurgroep kwaliteitsafspraken

In 2012 heeft de toenmalige staatssecretaris van OCW prestatieafspraken gemaakt met alle hogescholen en universiteiten. De instellingen mochten zelf ambities formuleren op het gebied van onderwijskwaliteit en studiesucces, profilering en valorisatie. Destijds werd in totaal zeven procent van het ho-budget gekoppeld aan de prestatieafspraken. Instellingen kregen een deel van deze middelen voorwaardelijk, zij konden gekort worden als zij de afgesproken ambities niet zouden waar maken.

Instellingen hebben nagedacht over hun eigen profiel en op basis daarvan keuzes gemaakt. Zij hebben zich de vraag gesteld op welke strategische positie zij zich zouden moeten richten. Hogescholen en universiteiten keken naar de eigen context van hun omgeving (met welke bedrijven en instellingen werken we intensief samen) en opleidingsaanbod (leiden we vooral op voor de regionale of juist de nationale of internationale arbeidsmarkt op). Op basis hiervan hebben alle instellingen een eigen profiel gekozen.

Naast deze focus op een eigen profiel maakten alle instellingen kwantitatieve afspraken met de minister over hun ambitie ten aanzien van zeven verplichte prestatie-indicatoren. De indicatoren waren (1) studieuitval in het eerste studiejaar, (2) switch van studenten, (3) rendement van de bacheloropleiding, (4) excellentie, (5) docentkwaliteit, (6) onderwijsintensiteit en (7) indirecte kosten.

Binnen het systeem van de prestatieafspraken werd door de minister beoordeeld of instellingen de gemaakte afspraken over hun ambities hadden behaald. De minister werd daarin geadviseerd door de Reviewcommissie HO. Dit systeem van top-down prestatieafspraken waarbij hogescholen en universiteiten werden afgerekend op meetbare indicatoren kende een aantal positieve en een aantal minder positieve aspecten.

Door instellingen werd bijvoorbeeld als positief ervan dat de prestatie-indicatoren hebben bijgedragen aan een betere vergelijkbaarheid binnen en tussen instellingen. Daar tegenover stonden echter negatieve aspecten van het systeem van prestatieafspraken. Eén daarvan was het gevoel dat door het afrekenen op door de overheid verplichte indicatoren te weinig aandacht bestaat voor de werkelijke kwaliteit van onderwijs. Door sommigen werd dit wel ‘rendementsdenken’ genoemd. Daarnaast moesten instellingen geld reserveren voor het geval ze gekort zouden gaan worden na afloop van de prestatieafspraken. Dat gereserveerde geld kon niet besteed worden aan de kwaliteit van het onderwijs. Bovendien speelden bij een aantal ambities (bijv. studiesucces) externe factoren een rol waarop de instelling geen invloed kon uitoefenen. Doordat een aantal instellingen desondanks te maken kreeg met een financiële korting ontstond de indruk dat deze instellingen gestraft werden voor iets dat (in ieder geval deels) buiten hun schuld lag, maar – erger nog – dat zij daardoor verder afraakten van het realiseren van de beoogde doelstellingen.

De negatieve elementen uit systeem werden zwaarder gewogen dan de positieve aspecten waardoor hogescholen, universiteiten en studentvertegenwoordigers gepleit hebben voor een alternatief systeem. Dat alternatieve systeem heeft uiteindelijk na overleg met OCW in 2018 de vorm van de kwaliteitsafspraken gekregen.